Balansverslag

Na een semester lang van boeken lezen kan ik één ding concluderen: mijn liefde voor lezen is alleen nog maar gegroeid. Lezen is er bij mij van toen ik klein was met de paplepel ingegeven. In mijn familie vind je dan ook enkele grote leesliefhebbers en ik ben er één van.

 

Toegegeven, niet alle boeken die ik heb gelezen konden mij bekoren. Sommige waren net iets te realistisch voor mij en ik lees echt niet graag verhalen waaruit scenes zich soms voor mijn eigen voordeur lijken af te spelen.

Het boek dat me het meest is bijgebleven van de vijf die ik heb gelezen is ‘Een schitterend gebrek’. Het verhaal vond ik geweldig alsook het historische aspect. Ook ‘Allemaal willen we de hemel’ heeft me aangenaam verrast al moet ik eerlijk toegeven dat ik deze laatste al sneller zou aanraden aan toekomstige leerlingen van mij dan ‘Een schitterend gebrek’.

Wat ik ook leuk vond was het feit dat we deze boeken lazen in het kader van het vak ‘Nederlands Literatuur’. Constant bezig zijn met literatuur in de les en dan alles wat je geleerd hebt toepassen op eigen gelezen literatuur… Fantastisch! Een groot verschil met de lessen Nederlands vroeger waar je boekbespreking bestond uit een samenvatting van het verhaal en je eigen opinie.

Ook de boekendiscussies waren een leuke afwisseling. Ik had echt het gevoel dat we een boekenclubje hadden zoals je vaak ziet in van die Amerikaanse series. Wat ik vooral interessant vond was dat ondanks iedereen in de groep hetzelfde verhaal woord voor woord heeft gelezen, ze het toch anders hadden ervaren.

 

Met spijt in het hart neem ik dan ook afscheid van de lessen literatuur en de gezelligheid van de boekendiscussies. Al moet ik heel eerlijk zijn… Ik ben ook wel ergens blij dat het voorbij is. Mijn ‘still to read pile’ is namelijk de afgelopen maanden aardig gegroeid en ik kan dan ook niet wachten tot ik opnieuw ‘vrij’ kan lezen en zo terug de toestemming krijg van mijn mama om opnieuw nieuwe boeken aan te schaffen.

God het nakijken geven...

‘The truth belongs to God, the mistakes were mine…’.

In de Engelenmaker van Stefan Brijs betreedt de schrijver een ‘taboe’ pad die niet vele durven te bewandelen. Het pad van: klonen.

 

Doktor Victor Hoppe keert terug naar zijn geboortedorp Wolfheim. De dokter heeft nooit echt goed gelegen bij de dorpsbewoners die al vanaf zijn geboorte ervan overtuigd zijn dat het Kwaad in hem schuilt. Het bewijs daarvan vinden zij namelijk in zijn rode haren en zijn hazenlip. De verrassing is dan ook groot wanneer de dokter na jaren terugkeert naar het dorpje dichtbij het Drie-landenpunt. Deze verrassing wordt zelfs nog groter wanneer dokter Hoppe uit de taxi stapt met een grote draagmand met drie baby’s in.

Hun rode haren en hazenlip wijzen meteen dat ze genetisch gelinkt zijn met de dokter. Hij stelt ze dan ook voor als zijn zonen: Michael, Gabriël en Rafaël. De namen van de drieling zijn meteen te linken naar de titel aangezien ze vernoemd zijn naar de aartsengelen.

Met de drieling lijkt echter iets vreemd aan de hand. Zo kunnen ze al spreken op amper enkele maanden tijd en blijken ze uiterst intelligent. Alleen hun fijne motoriek lijkt zich maar moeilijk te ontwikkelen.

In deel twee leert de lezer de reden hiervan. Michael, Gabriël en Rafaël zijn klonen van de dokter zelf. Alleen is er een fout in hun gentische code die ervoor zorgt dat ze zeer snel verouderen. De drieling is dan ook vaak ziek en de dokter weet al zeer snel dat zijn zonen niet lang zullen verblijven op aarde.

Wanneer de draagmoeder van de drieling opduikt, is Michael al gestorven en vindt ze de andere twee in een niet veel betere staat in hun slaapkamer. Dokter Hoppe echter lijkt al afscheidt te hebben genomen van V1, V2 en V3 zoals hij de drieling noemt. Tijdens een discussie grijpt de vrouw naar een scalpel en haalt de dokter zijn zij open.

Ondertussen wordt de dove Gunther Werber aangereden door een bus en sterft aan zijn verwondingen. Wanneer dokter Hoppe zijn ouders gaat bezoeken om hen te condoleren vraagt hij of hij het lichaam van hun dode zoon mag zien. Hij snijdt Gunther zijn teelballen af met de bedoeling om dit genetisch materiaal opnieuw te gebruiken als zijn tweede kloonexperiment. Het plan van de dokter komt tot stand wanneer de moeder van Gunther in een depressie sukkelt en de dokter haar en haar man aanraadt om opnieuw te gaan voor een kind. Dokter Hoppe belooft dat hij het genetisch materiaal zo kan manipuleren dat hij de kans op een doof kind kan wegwerken. Dit lukt echter niet. Maar toch plant hij de embryo’s in. Aangezien hij de wonde in zijn zij heeft opengehouden geeft dit al ergens weg dat hij opnieuw met zijn eigen genetisch materiaal aan de slag is gegaan.

De ontknoping van het verhaal gebeurt wanneer er tijdens de bedevaart naar La Chapelle met Lothar Weber en de priester voorop het lichaam van Victor Hoppe aantreffen genageld aan het kruis. Ondertussen brandt ook het huis van de dokter af. De lezer weet dat de dokter dit zelf op zijn geweten heeft, de dorpsbewoners verdenken echter de vreemde vrouw ervan.

In de epiloog komen we erachter dat Vera en Lothar Weber een jaar later een zoon hebben gekregen die ze Izaak noemen. Izaak is niet doof maar heeft wel een hazenlip. Opnieuw weet de lezer het fijne achter deze hazenlip terwijl de dorpelingen deze hazenlip wijten aan bijgeloof. Zo denken zij namelijk dat wanneer een zwangere vrouw schrikt, zoals Vera had ervaren toen ze samen met de anderen geconfronteerd werd met het dode lichaam van Victor Hoppe, het kind zal geboren worden met een hazenlip.

 

Wat ik bijzonder leuk vond aan het boek en ook wel best verrassend is het feit dat de lezer op het einde alle informatie heeft terwijl de dorpelingen nog altijd in het ongewisse blijven.

Het feit dat het boek is opgedeeld in drie delen maakt het ook wat spannender. Na deel één blijft de nieuwsgierigheid bij de lezer groot omdat hij wat op zijn honger blijft zitten. Deel twee is namelijk één grote flashback van Victor zijn jeugd en zijn beginnende carrière in de embryologie en het klonen.

Pas in deel drie vind ik persoonlijk dat de drive van het verhaal terug op gang komt. Vanaf dan ondervond ik het boek echt als een pageturner wat ik niet echt had verwacht. Ondanks dat het boek al vele lovende recensies had ontvangen was ik er toch niet honderd procent van overtuigd dat het iets voor mij zou zijn. Na het lezen van het boek moet ik toch toegeven dat ik meer dan eens op het puntje van mijn stoel zat en me moet aansluiten met de recensies. De strijd tussen Goed en Kwaad is aanwezig maar op een manier die je niet zou verwachten en de verwijzingen naar de Bijbel zijn duidelijk maar toch niet storend.

Voor wie houdt van een verhaal met een duister psychologisch kantje met een niet zo happy-end is ‘De Engelenmaker’ zeker een aanrader. Wat wees nu eerlijk… Wat is er nu leuker dan op de bank te kruipen met een spannend boek terwijl het buiten typisch Belgisch winterweer is?

The Broken Circle Breakdown

Toen ik voor het eerst de programmering van Cinema Zed opzocht, was ik niet echt enthousiast. Ik ben namelijk het meisje dat is opgegroeid met de Star Wars films, Lord of the Rings, Riddick… Niet echt het soort films dat Cinema Zed aanbiedt.

Dat is totdat ik de titel ‘The Broken Circle Breakdown’ op de lijst zag staan. Na een telefoontje met mijn nichten en alle drie onze agenda’s te hebben gesynchroniseerd, besloten we deze film te gaan kijken. Geen van ons drieën is echt te vinden voor de Vlaamse film, maar voor één keer schoven we dit vooroordeel aan de kant.

 

Veerle Baetens zet opnieuw een geweldige rol neer als Elise, de eigenares van haar eigen tattooshop. Ze is zelf, redelijk letterlijk, het uithangbord van haar shop want ze staat vol met tattoes. Haar hart is al vele malen gebroken en in haar opinie misschien zelfs één keer te veel. Maar dan botst ze op Didier die samen met zijn countryband een optreden geeft in de bar die Elise bezoekt. Het is meteen liefde op het eerste gezicht.

Elise veranderd Didiers leven compleet. Zo dwingt ze hem haast om eindelijk eens te beginnen aan de boederij die hij al jaren lang van plan is om te renoveren. Mét een veranda. Didier past hier echter een mouw aan en bouwt geen veranda maar een terranda: een terras met een dak boven. Maar de terranda is nog maar het begin van het verlanglijstje van Elise. Ze wil namelijk ook een kind. En zo wordt Maybelle ‘Belleke’ geboren.

Het gezinnetje is perfect gelukkig met zijn drieën totdat Maybelle op zes jarige leeftijd ziek wordt. De ziekte met de grote K wordt vastgesteld: kanker. Beide ouders gaan hier anders mee om. Didier zijn eerste gevoel is woede terwijl Elise ietswat depressief wordt. Maybelle echter dwingt haar ouders om elkaar te steunen en samen voor haar te vechten.

 

Het feit dat Maybelle kanker heeft en dit uiteindelijk niet overleefd greep me meteen bij de keel. Ik heb hetzelfde meegemaakt als baby alleen heb ik het wel overleefd. Toch weet ik maar al te goed dat mijn leven toen ook aan een zijde draadje hing. Ook mijn ouders zaten toen met de handen in het haar en wisten soms ook niet meer wat denken of doen. En dat is het ergste gevoel dat je als volwassenen kan hebben.

‘The Broken Circle Breakdown’ is zeker een aanrader, al is het geen slecht idee om een arsenaal aan zakdoekjes mee te nemen. Als je ze zelf niet gebruikt, dan wel je buur in de bioscoopzaal.

Droom alsof je voor eeuwig zal leven...

‘I do not know what I may appear to the world, but to myself I seem to have been only like a boy playing on the sea-shore, and diverting myself in now and then finding a smoother pebble or a prettier shell then ordinary, whilst the great ocean of truth lay all undiscovered before me.’. – Sir Isaac Newton –

 

Bovenstaande citaat is het motto van het boek ‘Nooit meer slapen’ door Willem Frederik Hermans. Wanneer je dit motto in je achterhoofd houdt tijdens het lezen, kom je al snel tot de conclusie dat dit perfect aansluit met de verhaallijn.

Het boek doet vaak denken aan een soort van reisverslag vertelt door de ogen van het hoofdpersonage Alfred (een ik-vertelstandpunt dus). Hij is geoloog en reist van Nederland naar het noorden van Noorwegen waar hij hoopt de theorie van zijn leermeester Sibbelee te bewijzen. Sibbelee beweert namelijk dat vele gaten op de aardbodem zijn ontstaan door de inslag van meteorieten. Alfred wilt niet alleen deze theorie bewijzen om het geloof in zijn leermeester te versterken maar ook om zijn eigen vader te eren. Die is namelijk gestorven toen Alfred zeven was tijdens het ondernemen van een soort gelijke reis.

Alfred gaat niet alleen op pad. Hij wordt vergezeld door de drie Noorse geologen genaamd Arne, Qvigstad en Mikkelsen. Deze laatste blijkt in het bezit te zijn van de luchtfoto’s waar Alfred sinds het begin van zijn reis naar op zoek is. Mikkelsen staat toe dat Alfred de foto’s bestudeert en wanneer hij zich realiseert dat deze geen extra informatie bieden over de gaten in de aarde, krijgt zijn vertrouwen in Sibbelee een deuk. Deze had namelijk beweerd dat de luchtfoto’s een must waren voor Alfreds onderzoek en dat hij zonder ze niet echt aan de slag kon. 

Qvigstad en Mikkelsen besluiten om samen een andere weg in te slaan. Arne trekt samen met Alfred verder maar het duurt niet lang voordat Alfred zijn reisgenoot uit het oog verliest. Dagen lang trekt hij dan maar alleen rondt, hopend dat hij Arne terug zal vinden. Dat doet hij ook, alleen niet op de manier dat hij had gehoopt. Hij vindt Arne’s lichaam en komt snel tot de conclusie dat zijn vriend is gestorven door een val van een rots, net zoals zijn vader jaren geleden.

Dit ziende als een teken, besluit Alfred om zijn grote droom op te bergen en terug naar huis te keren. Op de terugweg ziet hij een lichtflits in de verte gevolgd door een harde klap. Pas wanneer hij op het vliegtuig terug naar Nederland zit, leest hij een artikel in de krant dat vermeld dat het fenomeen waar hij getuigen van was geweest, waarschijnlijk een inslaande meteoriet was. Om de ironie helemaal compleet te maken krijgt hij van zijn moeder een paar manchetknopen gemaakt uit een doorgezaagd meteorietsteentje. Zijn vader had de kleine meteoriet gekocht als Alfreds verjaardagscadeau, maar aangezien hij nooit de kans heeft gekregen om het zijn zoon te schenken had zijn moeder het bewaard voor een andere gelegenheid. Een promotie bijvoorbeeld, waarmee hij zijn vader zou eren. Alleen zal deze nooit plaatsvinden.

 

Gedurende het verhaal komt het hoofdpersonage allerlei obstakels tegen die hem beletten om  zijn droom na te jagen. Zo steekt zijn faalangst vaak de kop op en heeft hij problemen met slapen. In het noorden van Noorwegen is er gedurende de winter dag en nacht zonlicht wat zijn slaap belemmert alsook de honderden muggen die constant rond zijn hoofd zoemen.

Ook het feit dat hij niet zo sportief is ervaart hij als een probleem aangezien het nogal een zware tocht is die veel fysieke kracht vereist. Arne, Qvigstad en Mikkelsen lijken dan wel weer sportieven types wat maakt dat Alfred dag in dag uit zich hondertwintig procent moet geven om hen bij te houden.

Na vele figuurlijke watertjes te hebben doorzwommen wordt Alfred geconfronteerd met het keerpunt: Arne’s dood die hem meteen doet terugdenken aan de dood van zijn vader. Dit maakt dat hij alles overboord gooit en terugkeert, dit terwijl zijn droom zo dichtbij is en hij hem letterlijk misloopt.

 

Als we naar de titel kijken kom ik tot twee conclusies. ‘Nooit meer slapen’ kan verwijzen naar Arne’s eeuwige slaap maar ook naar het feit dat Alfred zijn droom opgeeft. Dromen zijn altijd wel te linken aan slapen en wanneer je je dromen opgeeft, lijkt slapen geen nut meer te hebben.

Deze laatste verklaring lijkt me persoonlijk het best passen met het boek aangezien het nogal een psychologisch en zelfs filosofische opbouw heeft. De titel heeft dan ook naar mijn mening een iets diepere betekenis dan gewoon een rijtje van drie woorden. Daarom dan ook dat ik het label van centraal thema zou willen plakken op ‘het najagen van dromen’. Want daar gaat het verhaal net om. De doelstelling van je grote droom waar te maken maar dat je tegelijkertijd geconfronteerd wordt met de harde wereld en de vele obstakles die erin verscholen liggen.

 

Persoonlijk had ik best wat moeite met het lezen van het verhaal. Het komt nogal traag op gang en mist ook wat actie. Zelf vond ik het psychologische en filosofische aspect wel interessant, al maakt dit het verhaal nog wel wat moeilijker. Je moet er constant je aandacht bij houden. De inhoud laat je nadenken ook nadat je het boek hebt weggelegd en wanneer je dit doet zal je ook merken dat je gedachtengang vaak afdwaalt van de al bewandelde paden. 

Als ik al het bovenstaande op een lijstje zet, betwijfel ik dat de meeste jongeren van vandaag zullen te staan springen om dit boek te lezen. Het is dan ook een literaire uitdaging die in mijn ogen genoeg is om één keer aan te gaan. Het is echt een boek voor de geoefende lezer en zelfs die heeft er wel een kluif aan.

Echte liefde is loslaten...

‘Ik voel me alsof ik midden op de oceaan een muntstuk overboord heb laten vallen. Hoe hard ik het ook nodig zal hebben, het zinkt onherroepelijk naar de bodem van de zee, en wat ik ook zou proberen, ik zou het nooit meer uit de golven kunnen opvissen. Dat troost me. Wat ik ben verloren, is voor altijd buiten mijn bereik. Ik moet het vergeten en verder varen.’.

 

Dit keer een citaat dat regelrecht uit het boek komt en in mijn ogen het verhaal perfect beschrijft. Het gaat namelijk om het ontdekken van de liefde. Een liefde die zo sterk is dat je er alles voor wil doen. Alles, ook hem loslaten om het geluk van de ander niet in de weg te staan. Het citaat geeft ook meteen de complexe en poëtische schrijfstijl van Arthur Japin weer.

Persoonlijk was dit het boek waar ik het meest naar uitkeek om het te lezen. Ik kan dan ook af en toe een goede historische roman smaken en het feit dat deze over Giacomo Casanova ging, maakte het alleen maar beter. Vraag me niet waarom, maar sinds de film ‘Casanova’ met Heath Ledger in de hoofdrol ben ik nogal snel verkocht wanneer de naam Giacomo Casanova valt. Het feit alleen al dat dit kleurrijke personage een zelfstandig naamwoord is geworden in onze moedertaal, piekt mijn interesse naar alle verhalen rondom hem.

 

Japin kiest voor een ik-verteller wat het verhaal ietswat eenzijdig doet overkomen maar op hetzelfde moment ook je meer in de zee van emoties die Lucia evaart meetrekt. Je beleeft samen met haar de onbezorgde jeugd die ze op Pasiano leidde als kind om vervolgens na haar ziekte de grauwe, kille wereld tegemoet te reizen. Een wereld vol mensen die je beoordelen op je uiterlijk en als dat al niet aan de normen voldoet… Dan doen ze niet eens de moeite om naar je innerlijk te kijken, ookal is je hart nog zo puur als kristal.

Op de één of andere manier herken ik mezelf wel een beetje in Lucia. Ik weet namelijk ook wat het is om met een ‘schitterend gebrek’ door het leven te gaan. Als baby werd er bij mij oogkanker vastgesteld. Op dertien maanden ben ik geoppereerd. Mijn rechteroog hebben ze nog kunnen redden, mijn linker was al helemaal blind en om uitzaaiing te voorkomen werd het dan ook weggenomen. Sindsdien draag ik een kunstoog.

Zelf heb ik het nooit echt ervaren als een gebrek. Ik kan me niet herrinneren dat ik ooit met twee ogen heb kunnen zien. Mijn zicht zoals ik het nu ken is voor mij de normaalste zaak van de wereld. Ik heb mezelf al van jongsafaan geleerd om eerst de details in me op te nemen en dan pas de hele foto. Hierdoor zie ik vaak meer dingen dan mensen met twee ogen. Om het met een metafoor te zeggen die te linken is aan het boek, soms heb ik de indruk dat ik één van de weinigen ben die de wereld ziet zonder een sluier voor de ogen.

En zo een sluier is aan de ene kant een beschermmiddel maar ook een gevaar. Je duwt degene buiten je sluier weg en soms verlies je zelfs het oog op de realiteit. En wat als de sluier afvalt? Dan pas zal blijken of het echt een sluier van dun gaas was waar de echte jij af en toe wat leek door te sijpelen of toch eerder een hard, zwaar masker waarmee je slechts een rol speelde op het toneel dat wij het leven noemen.

 

Ondanks dat ik me kan identificeren met Lucia, ben ik het toch niet altijd eens met de keuzes die ze maakt. Maar ja, het leven heeft vele keuzes. Dat betekent nog niet dat je de juiste maakt. En ‘de juiste’ is in dit geval ook vrij in te vullen. Want wat in Lucia’s ogen juist bleek te zijn, kan – wanneer Giacomo het echte verhaal van zijn geliefde was teweten gekomen- in de zijne net fout zijn geweest. En als je er even bij nadenkt… Lucia haalt enkele keren in het verhaal aan dat ze nergens spijt van heeft. Toch klampt ze zich aan de herrinnering van Giacomo vast wanneer ze van hem vlucht. En wanneer ze opnieuw afscheid van hem neemt, dit keer als Galathée de Pompignac, klampt ze zich vast aan het leven dat in haar buik groeit. Men zegt vaak dat je je eerste liefde nooit vergeet. Lucia zal Giacomo nooit vergeten en hij zal haar nooit vergeten.

 

Als we het emotionele even terzijde laten en echt technisch naar het boek gaan kijken, moet ik toch wel concluderen dat dit een boek is voor de meer geoefende lezer. Japin deinst er niet voor terug om moeilijk taalgebruik –wat overigens in de periode waarin het boek zich afspeelt het gebruik was in de omgangstaal- op de lezer zijn bord te zwieren. Een opbouw naar het niveau van dit boek is dan ook noodzakelijk en zelfs dan nog denk ik dat leerlingen wel wat begeleiding in het uitspitten van het verhaal zullen waarderen.

Aangezien tijd en ruimte in dit boek een grote rol spelen, is het toch wel een aanrader om het met de volle aandacht te lezen. Ook lezers die geneigd zijn om snel naar de dialogen in het verhaal over te gaan, zullen bedrogen uitkomen. Je hebt namelijk de gedachtegang van Lucia nodig om ‘the full picture’ voor ogen te krijgen.

 

Normaal, wanneer we een boek verplicht moeten lezen voor school, bestempel ik deze al snel als ‘één keer lezen en gedaan’. Na de boekbespreking belandt hij dan op een plank van onze huiselijke privé bibliotheek en er zal nooit meer een haan naar kraaien.

Met ‘Een schitterend gebrek’ is dit totaal niet het geval. Ik kan je van nu al verzekeren dat ik het opnieuw zal lezen en ook zal aanraden aan vrienden en familie. Andere boeken van Arthur Japin zullen ook nog belanden op mijn ‘still to read pile’, want niet alleen het genre en het verhaal spreken me aan maar ook de schrijfstijl.

Kortom, echt een aanrader voor de wat geoefendere lezer of voor een lezer die een uitdaging zoekt.

De hel is leeg...

‘De hel is leeg en alle duivels zijn hier.’. Eén van mijn meest favoriete quotes uit ‘The Tempest’ van niemand minder dan William Shakespeare. Je vraagt je misschien af waarom ik deze blog begin met een zin uit een boek dat helemaal niet op de lijst stond…Wel, Shakespeare was gekend als een woordenkunstenaar die het leven op een poëtische manier weergaf zonder de slechtheid van dat leven te verdoezelen. Hij gaf het leven weer zoals het werkelijk was. Niet door een roze bril kijkend maar door eentje van helder glas.

 Wij mensen hebben zowel goed als kwaad in ons. Elke dag moeten we ons opnieuw bewijzen. Zijn we goed, vergroot onze kans om ooit in de hemel terecht te komen. Zijn we dit niet, dreigt ons geloof met de hel. Maar niemand wil de hel. We willen allemaal de hemel. Dus we zetten ons beste beentje voor. Tenminste… Totdat er een tijd komt van oorlog. Want dan lijkt de wereld te branden en is het inderdaad alsof de hel leeg is en alle duivels over de aarde lopen.

 

 In ‘Allemaal willen we de hemel’ vertelt Els Beerten het verhaal van de familie Claessen. Je hebt vader Sander, moeder Blondine en de drie kinderen: Jef, Renée en Remi. Op de proloog en de epiloog na schrijft ze over de familie die de Tweede Wereldoorlog meemaakt. Sander is vastbesloten om zijn gezin aan de kant van het schouwspel genaamd oorlog te houden en moedigt ze daarom ook aan om iets te doen voor hun toekomst. Alle drie moeten ze hun best doen op school en later liefst ook verder studeren. Maar er is ook een passie die de vader maar wat graag deelt met zijn kroost: muziek.

Sander speelt net als zijn vader de trompet. Ook zijn kinderen volgen in deze voetsporen. Samen spelen ze in ‘Ons Verlangen’, de fanfare van hun dorp. Op een dag komt er een nieuwe jongen bij hun muziekgezelschap. Zijn naam is Ward, hij heeft dezelfde leeftijd als Jef en het lijkt wel alsof hij kan toveren zodra hij zijn geliefkoosde saxofoon aan zijn lippen zet.

 Renée wordt haast meteen stapelverliefd op Ward terwijl Jef zijn nieuwe beste vriend in de jongen ziet. De kleine Remi ziet op zijn beurt Ward als een nieuwe grote broer die hem nieuwe dingen kan aanleren. Het leven lijkt mee te vallen voor de familie Claessen en Ward in de donkere tijden van de Tweede Wereldoorlog. Maar dan komt het nieuws dat Stalingrad is gevallen.

Ward, overtuigt dat de Russen na de Duitsers ook de Belgen zullen aanvallen, sluit zich aan bij het Vlaams Nationaal Verbond en geeft zich op om mee te gaan vechten mét de Duitsers tégen de Russen. Meteen verbiedt Sander zijn kinderen nog om te gaan met Ward. Want wie omgaat met een collaborateur, is volgens het Geheime Leger er zelf één. Het contact tussen de familie Claessen en Ward verwaterd. Tenminste, dat is wat Sander denkt. Zijn oudste zoon Jef houdt namelijk nog altijd contact met zijn beste vriend door briefwisseling.

Wanneer Ward terugkomt van het front voor zijn verlof, komt hij er al snel achter dat Jef nog de enige vriend is die hij in het dorp heeft. Maar ook dit veranderd wanneer Ward samen met twee andere soldaten een aanval op het Geheime Leger doet. Ward zijn opdracht was om de bewaker te elimineren. Wanneer hij echter ziet dat dit zijn oom is, besluit Ward in de lucht te schieten om de leden van het Geheime Leger te waarschuwen. Jef is echter zijn vriend gevolgd en denkt dat Ward heeft gemist en schiet daarom zelf. Dan ziet hij dat hij Theo heeft neergeschoten. Ward gaat de volgende dag zonder afscheid te nemen terug naar het front en Jef gebruikt dit om zijn eigen vel te redden. Hij schuift alle schuld op Ward zodat hijzelf er als een held uitkomt. Maar het probleem met de waarheid is dat hoelang je deze ook verzwijgt, ze altijd aan het licht komt. Na twee jaar besluit Ward terug te keren naar België en zijn straf onderogen te zien. Wanneer Jef dit nieuws verneemt schiet hij in paniek. Gaat Ward hem verraden om zijn eigen vel te redden zoals hij zelf een goede twee jaar eerder had gedaan?

Persoonlijk zag ik er een beetje tegen op om het boek te lezen. Verhalen over de Wereldoorlogen liggen me namelijk niet zo. Toch heeft het boek me aangenaam verrast want het ging meer over het leven in de oorlog dan over de oorlog zelf.

Het verhaal leest bovendien ook vlot. Het enige wat misschien een beetje moeilijkheden met zich meebrengt is dat de schrijfster continue van perspectieve wisselt zonder dit aan te kondigen. De ene keer vertelt ze uit het standpunt van Ward, dan van Renée, dan weer van Jef en soms ook uit het standpunt van Remi. Soms ben je dus niet echt zeker wie er aan het woord is en duurt het enkele zinnen voordat je er een naam op kan plakken.

Wat ik ook leuk vind aan het verhaal is dat de proloog en de epiloog zich in het heden afspelen en eigenlijk met elkaar aansluiten, terwijl al hetgene tussen deze twee hoofdstukken zich afspeeld in het verleden en het verhaal vertelt van het leven van de karakters in de oorlog. Om dit nu even terug te koppelen aan de leerstof: het verhaal wordt dus niet chronologisch verteld waardoor fabel en suject dan ook niet aan elkaar gelijk zijn.

De plottwist zat wel goed in elkaar. In het hele verhaal wordt Jef beschreven dat hij een schrikschijter is, dus je verwacht niet dat hij op het proces voor de ogen van heel het dorp een pistool uit zijn jaszak haalt en deze gebruikt om Ward de mond te snoeren. Jef kan hierdoor op zeer weinig respect van de lezer rekenen aangezien deze weet dat Ward nooit van plan was om Jef te verraden. Vriendschap was in zijn ogen belangrijker dan zijn eigen vel te redden en het is net dat moraal dat eender welke lezer op het einde zal bijblijven.  

 

 

 

Wanneer spreken niet meer kan

Spraak. Het is één van de meest mooiste giften van het leven. Het leren van nieuwe moeilijke woordjes wanneer we kind zijn en later, wanneer we zelf al ouder zijn, deze woordjes zelf aanleren aan onze eigen kinderen. Zo was mijn mama bijvoorbeeld vastberaden om mijn broertje en mij de woorden ‘perforator’ en ‘nietjesmachine’ te laten vocaliseren.

Al deze woorden die we aanleren gebruiken we in het dagelijkse leven om te communiseren. Om onze gevoelens uit te drukken, een zakelijk gesprek te voeren of om een verhaal voor te lezen. Mensen staan er vaak niet bij stil wat voor een gift de kunst van het spreken is. Tenminste, tot dat zijzelf of iemand in hun omgeving wordt getroffen door de vloek van het stilzwijgen.

 

In Tom Lanoye’s boek ‘Sprakeloos’ vertelt hij het verhaal van zijn moeder die als amateuractrice zowel op de planken als in haar eigen huishouden de meest uiteenlopende rollen aankon. Discussieren met haar kroost en haar man was één van haar geliefkoosde hobbies waarin ze elke slag en elke oorlog won.

Net zij wordt getroffen door een beroerte die haar spraak haast helemaal wegneemt. De vrouw die zowel in het Nederlands, Engels als Frans haar zegje kon doen en daarmee soms zelf twee stenen kon doen vechten, was nu gedoemd tot brabbelen en het produceren van een talen brokenpap.

Eén van Lanoye’s tantes werd dement toen hij nog maar een kleine jongen was. Zijn moeder ging haar af en toe bezoeken in de instelling waar haar zus verbleef. Wanneer ze dan terugkwam naar huis deed ze haar hele kroost beloven dat wanneer zijzelf ooit zou worden veroordeeld tot het leven van een schim van de persoon die ze nu was, ze er meteen een einde aan moesten maken.

Toch duurt het een tweetal jaar vooraleer haar gezin haar kan laten gaan. Deze beslissing is moeilijk om te nemen, ookal is ze erzelf al lang mee akkoord. Lanoye maakt dan ook de volgende bedenking: ‘Misschien kan liefde maar één ding echt. Uit liefde doden.’. Samen met zijn broers en zussen besluit hij dat het inderdaad genoeg is geweest. Langzaam werpt de duisternis zijn schaduw over hun moeder en zonder pijn wordt ze naar het hiernamaals gevoerd.

 

‘Sprakeloos’ gaat natuurlijk niet alleen over de aftakeling en de dood van zijn moeder. Lanoye gaat vaak terug naar zijn jeugd en verhaalt annekdotes van zijn oude dorp en iedereen die er woonden. Op het eerste zicht lijkt zijn schrijfstijl nochal chaotisch met zijn elle lange zinnen, honderden bijvoegelijke naamwoorden die elke scene tot in het detail beschrijven, de vele afdwalingen die hij maakt en het overgebruik aan komma’s.

Het is daarom ook even aanpassen als lezer maar al snel ontdek je dat zonder deze elle lange zinnen, honderden bijvoegelijke naamwoorden, de vele afdwalingen en het overgebruik aan komma’s er eigenlijk geen verhaal zou zijn om mee te beginnen. Al deze aspecten maken het verhaal tot een verhaal van Tom Lanoye.

Toegegeven, deze schrijfstijl frustreerde mezelf in het begin ook enorm. Soms leek het alsof je terplaatse bleef trappelen inplaats van een verhaal te lezen. Maar na een tijdje veranderde de frustratie bij mij in enthousiasme. De afdwalingen die hij maakt naar zijn jeugd maken het verhaal, dat eigenlijk een beetje een zwaar onderwerp torst, luchtiger en ook aangenamer om te lezen. De annekdotes van de vele dorpsfiguren brachten meer dan eens een glimlach op mijn gezicht door de droge humor die hij hier en daar gebruikte.

 

Omdat het boek autobiografisch is, is het dan ook makkelijk te koppelen aan het hedendaagse leven van ieder wie het leest. De rare karikaturen van de dorpsbewoners zijn hier en daar te linken aan een persoon in ons eigen leven, alsook de relatie tussen vader, moeder en de kinderen. Ook de gebeurtenis van het verliezen van een ouder is nogal actueel voor mij. Mijn papa is namelijk een klein jaar geleden overleden. De emoties die Lanoye dan ook beschrijft in het begin van het boek waar hij vertelt dat hij zo vaak het schrijven van ‘Sprakeloos’ op de lange baan had geschoven, zijn zeer herkenbaar.

In het begin is het enorm moeilijk om terug te denken aan de persoon die je verloren hebt zonder in tranen uit te barsten. Want de enige momenten die je dan in je geest kan oproepen zijn de laatste momenten van die persoon, maakt niet uit of de persoon aan het aftakelen was en pijn had zoals in Tom Lanoye’s geval of hoe plots het gebeurde, zonder enige waarschuwing, zoals in mijn geval.

Later, enkele maanden (of in sommige gevallen enkele jaren), slagen we erin om het verlies een plaats te geven in ons leven. Nu ja, plaats… Het zal altjd een uitdrukking blijven die nooit honderd procent klopt, maar toch blijven we hem gebruiken. Wanneer we nu terugdenken aan deze persoon, worden er andere beelden gezien door ons geestensoog. Beelden uit ons verleden. Leuke herinneringen en annekdotes. Genoeg om een boek vol afdwalingen mee te vullen want de afdwalingen maken nu eenmaal het verhaal. De persoon die je bent op het einde van je leven is nu eenmaal niet de persoon die je was in datzelfde leven.

 

Waardoor het boek ook makkelijker te plaatsen is in het leven van de lezer is het taalgebruik. De allom bekende en overgebruikte ‘gij’ uit de tussentaal alsook rasecht dialect. Het is geschreven zoals de mensen in het dagelijkse leven spreken en om spreken draait dit boek, niet? Op de cover preikt tenslotte een foto van Tom Lanoye’s moeder. We kunnen als het ware een gezicht bij de beschrijving van vele woorden plakken. Het maakt haar echt, tastbaar. Ook voor de lezer die nog nooit iemand heeft moeten afstaan aan de hogere machten.

 

Voordat ik het boek las, had ik het gevoel dat het niet echt mijn ding zou zijn. Ik lees namelijk het liefste fantasy en sci-fi plus… Het aantal boeken van Nederlandse schrijvers in mijn privé bibliotheek valt ook op één hand te tellen. Toch heeft het boek me aangenaam verrast. De schrijfstijl was eens wat anders dan ik gewend ben alsook het verhaal dat onder de categorie waargebeurd valt. Dit verhaal was de moeite om geschreven te worden maar zeker en vast ook om gelezen te worden.

De leesmicrobe

Met het begin van het schooljaar komt de winter steeds dichter en deze brengt allerei epedimieën met zich mee. Denk maar aan de vele mensen met een verkoudheid of de griep. Om deze te genezen bel je gewoon naar de dokter die je dan één of ander medicijn voorschrijft. Maar ik, ik heb een ‘ziekte’ waarvoor geen medicijn bestaat. Ik ben namelijk getroffen door de leesmicrobe en dat al vele jaren.

Als je naar mijn familie kijkt is dit niet echt een verrassing. Twee van mijn nichten, één van mijn mama haar broers en mijn mama natuurlijk zelf hebben in de tussentijd al zoveel boeken verzameld dat ze haast een eigen bibliotheek zouden kunnen beginnen. En ja, ook ik heb ondertussen al een aardige hoeveelheid van boeken bij elkaar gespaard. De boekenkasten bij me thuis puilen uit van de boeken en de boekenplanken buigen langerzamerhand ook al door van het gewicht. Toch is het haast onmogelijk voor me om een boekenwinkel binnen te wandelen en zonder iets buiten te komen wat trouwens ook een familiekwaal blijkt te zijn.

 

Mijn allereerste boek was ‘De tocht van de Argonauten’ die ik kreeg toen ik een jaar of zes was. Mama besloot dat het tijd was voor mijn eerste bezoek aan de Fnac in Leuven en dit is waar ik dan ook op dit leuke boek vol korte verhalen uit de Griekse mythologie botste. ‘De tocht van de Argonauten’ heeft nog altijd een vaste plek in mijn boekenkast en ook mijn jonger broer heeft hem al van voor naar achter en andersom gelezen.

Aangezien mijn mama zelf het liefst fantasy en sience fiction leest, heb ik dit genre al van in het begin overgenomen. Verhalen met draken, ridders, heksen, feeën, andere werelden… Voor mij is lezen een escaperoute naar een leven weg van de realiteit. Ik lees om me te ontspannen maar ook om bij te leren. Ik schrijf namelijk zelf ook veel en het is wel interessant om dan de schrijfstijlen en schrijfonderwerpen van andere schrijvers te ontdekken.

Wanneer ik zelf schrijf haal ik dan ook inspiratie uit verhalen die ik heb gelezen maar ook uit tv-programma’s uit het verleden en het heden. Zo was ik een grote fan van de Power Rangers toen ik klein was en zelfs nu kijk ik nog mee naar de nieuwe afleveringen samen met mijn jonger broer die een lichte vorm van autisme heeft. Van een serie zoals de Power Rangers heb ik geleerd dat eens je een goede basis hebt, je op deze altijd kan verder bouwen. De mix van het oude vertrouwde met die nieuwe inbrenging maakt dat er altijd wel een publiek te vinden is voor het verhaal dat je vertelt. Je moet het alleen wel goed vertellen natuurlijk.

Nog zo iets dat uit mijn kindertijd me is bijgebleven zijn de sprookjes van Grimm. Zelfs nu op de leeftijd van bijna negentien ben ik nog altijd bezeten van de sprookjeswereld die de broeders Wilhelm en Jacob Grimm hebben gecreërd. Assepoester, Roodkapje, Vrouwe Holle, het Blauwe Licht,… Allemaal hebben ze de revu gepasseerd en ik lees ze nu nog altijd graag eens opnieuw. En nee, daar bedoel ik dus echt niet alleen het voorlezen ervan aan de kinderen van mijn neven en nichten mee.

En niet alleen het geschreven sprookje is de laatste tijd populair en tijdloos. Denk maar aan de film ‘The Brothers Grimm’ met Heath Ledger en Matt Damon of de recentere producties van ‘Red Ridinghood’ en ‘Snowwhite and the Huntsman’.  Ook in tv-series worden de Grimmsprookjes vaak als uitgangspunt gebruikt zoals in de soft-horror reeks ‘Grimm’. Al zijn deze Hollywoodproducties met hun vele special effects heel spectaculair, toch kunnen ze in mijn opinie niet tippen aan de boeken. Deze nodige de lezer nog altijd meer uit om zijn eigen verbeelding te gebruiken en zo zelf mee vorm te geven aan het verhaal.

 

In het middelbaar kwamen dan de opgelegde boeken die meestal naar de waargebeurde sectie van de romans neigden. Dat eerste verplichte boek was een grote struikelblok. Tot ik eraan begon. Oké, het was inderdaad niet mijn stijl, maar het verhaal zat goed in elkaar.

Stilletjes aan begon ik af en toe – toegegeven, meestal in schoolverband – af te wijken van mijn oude vertrouwde fantasyweg en stelde me ook open voor andere literatuurstijlen. Ik begon ook meer terug te grijpen naar de klassiekers zoals Shakespeare maar ook de verhalen van Sherlock Holmes door Sir Arthur Conan Doyle staan nog op mijn verlanglijstje. 

Het boek dat me het meeste is bijgebleven van mijn loopbaan in het secundair onderwijs was er eentje dat eigenlijk niet op onze leeslijst stond maar dat we wel hebben besproken in de les aan de hand van een fragment uit ons handboek: ‘De mensheid zij geprezen’ van Arnon Grunberg. Onze leerkracht gebruikte dit fragment als introductie voor de theorie van de redevoering. Meteen was ik een fan van zijn schrijfstijl en woordgebruik. In zijn boek vertelt hij de waarheid over de mens zonder dat het als een beschuldiging klinkt en dit is nogal een prestatie als schrijver. Tenminste, in mijn opinie.

 

Een boeken top drie kan ik niet echt opstellen omdat ik te graag lees om er maar drie uit te pikken. Met auteurs heb ik net hetzelfde probleem. Ik lees graag Shakespeare, Christopher Paolini, L.J. Smith, J.K. Rowling, Mary Hoffman en ik kan zo nog wel even doorgaan. Plus dan heb ik het alleen nog maar over proza, want ook gedichtenbundels kunnen me bekoren. Maar ookal is mijn lijst van auteurs alsook die van boekentitels al behoorlijk lang, dat betekent niet dat er geen namen meer bij kunnen.

Een mens stopt pas met leren wanneer hij sterft en hetzelfde gaat voor lezen. Ik sta open voor nieuwe boeken geschreven door pas beginnende auteurs maar ook voor de oude klassiekers waarvan de auteurs nu lijken te spreken vanuit hun graf. Daarom ook mijn motto:

 

‘If you want to learn, read.

If you want to understand, write.

If you want to master, teach.’.